In vijfentwintig verhalen beschrijft Johan Kruiver vijfentwintig jonge jaren in de Zaanstreek. Daarover zegt hij: In volle vrijheid kon ik het avontuur van mijn jeugd ondergaan. Zoals zovele arbeiderskinderen kreeg ik de ruimte om me te ontplooien. Niet ondanks, maar juist dankzij de achterstand van mijn milieu. Daar heerste de drang naar materiële en geestelijke verheffing. Dat de ideeën van het socialisme daarbij een factor van betekenins waren, mag duidelijk zijn.
Met tamelijk cynische links naar het heden is dat de kern van dit boek.
De verhalen zijn uit nostalgie geschreven tegen het decor van het Zaanse landschap in een tijd van naoorlogse wederopbouw, emancipatie en democratisering. Niet voor niets is het motto ... en ook weemoed die niemand kan verklaren ..., ontleend aan Elsschot.
Daarom ook besluit hij de verhalenbundel met tien gedichten die op lyrische wijze boren in de zompige Zaanse bodem van het geheugen.