De taal van deze gedichten bezweert, roept op over de grens heen, bevriest in woorden tijd en vergankelijkheid. Elk gedicht is een poging om vast te houden wat voorbij gaat, terug te roepen wat voorbij is, tegen te houden wat in de toekomst ligt.
Het is vruchteloos, je kunt niet vastleggen wat niet vast te leggen is, geen stem geven aan wat woordenloos is, geen leven geven aan de laatste adem. En toch – taal is gewichtloos, een kus op de ziel, een echo van eeuwigheid – je weet maar nooit ...