Deze “verkenning” doorloopt een traject, dat begint bij natuurwetenschappelijke verschijnselen en opklimt tot op de maatschappelijke organisatie. Op elk niveau nemen de voorspelbaarheid en de beïnvloedbaarheid van de processen af en neemt de individualisatie toe. Mensen hebben een hoge graad van geautomatiseerd functioneren nodig en zijn daarin aan hun stoffelijkheid gebonden. Het dualistische onderscheid tussen lichaam en geest kan daarbij niet worden gehandhaafd. Lichaam en geest vormen een functionele eenheid. Die reageert in spoedeisende situaties vanuit routine en reflex. Is er wel tijd, dan kunnen mensen door eigen reflectie over hun gedrag beslissen en over een keuzevrijheid beschikken.